Geschreven op 18 april 2024
Deze week vond ik op de bovenste plank van mijn kast mijn levensloopgedicht terug: drie A4’tjes. Middenin stond een snapshot van mijn tienerjaren op de mavo.
Toen kwam de Mavo-tijd,
Aritha was een rustige meid,
behalve een keer in de bus,
toen kwamen ze haar een beetje te na
er volgde een vechtpartij;
ze vloog de ander in de haren,
wilde niet meer met de bus naar school.
Met de auto van buurman,
dat gaf haar veel meer jool.
Ze kwamen me een beetje te na, schreef mijn vader.
In werkelijkheid pestten ze me iedere middag op weg naar huis.
Dezelfde meiden beweerden op school dat mijn goede cijfers kwamen doordat ik verliefd was op een leraar. Serieus, ik was niet verliefd. Ik hield gewoon van leren. Vanaf dat moment veranderden mijn cijfers van top naar flop. Ik vluchtte in boeken in plaats van mijn huiswerk te maken. Geen havo voor mij, maar mavo.
Thuis zweeg ik, omdat mijn ouders het al zo moeilijk hadden.
Maar op een middag, toen het pesten weer begon in de bus, brak er iets in me. Ik stond op, greep mijn grootste pester bij haar haren en schudde haar wild door elkaar. Mijn woede die ik al die tijd had ingeslikt, kwam eruit. Op dat moment wilde ik haar alleen maar pijn doen.
De volgende middag kwam het groepje excuses aanbieden. Ik was er niet, maar ze boden mijn ouders excuses aan voor wat ze míj hadden aangedaan.
Jaren later kreeg ik een e-mail van iemand anders uit die schoolbus. Of ik hem wilde vergeven dat hij geen goede vriend was geweest. Ik vergaf hem dat hij er niet voor mij was toen ik zo gepest werd.
Mijn gevoel?
Vooral schaamte. Schaamte omdat ík gepest werd en iedereen het wist en er niemand was die me hielp. Het zwijgen van de anderen. Het gevoel dat ik niet de moeite waard was, om voor op te komen.
De kerk? In mijn tienerhoofd hoorde het allemaal bij elkaar:
hoe zwaarder het geloof, hoe geniepiger de mensen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten