Geschreven in 2024
Jaap manoeuvreert nog een stuk hout op het vuur en ik maak een foto van de vlammen. Ze knetteren zo mooi. Er springen vonken omhoog en ik ruik het brandende hout. En opeens weet ik het weer.
Die ene zondagavond waarop we gingen zingen.
Ik vertel het aan Jaap.
“Ik had er helemaal geen zin in. We waren ver van huis en hadden een stacaravan gehuurd. Maar mijn moeder wilde gaan, dus liepen we door het donker naar het gebouwtje.
Onderweg doken steeds meer mensen op. Schimmige figuren van wie ik de gezichten nog niet kon zien. Binnen wel. Ze zagen er vriendelijk uit.
We gingen rondom een vuurplaats zitten en kregen iets te drinken. Iedereen mocht een psalm of een lied opgeven. Ik rook het vuur, het hout.
Nog nooit had ik zoiets meegemaakt. Dat mensen gewoon bij elkaar kwamen om te zingen. Ik was verbaasd dat ook vrouwen met een broek aan een psalm opgaven. In mijn hoofd hoorde dat niet bij elkaar. Als je een broek droeg, ben je toch onbekeerd? En als je onbekeerd bent, ga je toch verloren? Waarom dan psalm opgeven?
En dan die andere liederen. Die kende ik alleen van de grammofoonplaten.
Midden in een lied stak iemand zijn hand omhoog. Ik keek naar hem en dacht: zij wil wat vragen. Maar niemand stopte met zingen. Even later ging zijn hand vanzelf weer omlaag.
Pas jaren later begreep ik het, Jaap... Die opgeheven hand hoorde bij het zingen. Het was een manier om God te prijzen.
De hele sfeer… het knapperende houtvuur, de schemerdonkere plek, de stralende gastvrouw en al die mensen samen… het was zo anders dan in de kerk. Het trok me. Het maakte me nieuwsgierig.
Toen het afgelopen was, liepen we terug onder een schitterende sterrenhemel. Mijn moeder had een lampje laten branden, zodat we de caravan konden herkennen.”
“Weet je nog waar het was, die camping?” vraagt Jaap.
“Ik weet het nog,” zeg ik. “Bergzicht in Ommen. En die gastvrouw, Aly, kon zo mooi aquarelleren.”