Nog even terug in de tijd vรณรณrdat ik belijdenis deed. Toen ik nog geen verkering had. Op de foto: de kosterijweg in Kootwijkerbroek. Deze stoep... was het kippeneindje dat ik moest lopen naar het gebouwtje waarin catechisatie werd gehouden.
De kosterijweg is er nog steeds.
De kerk ook maar tig keer verbouwd.
๐๐ฒ๐น๐ถ๐ท๐ฑ๐ฒ๐ป๐ถ๐ ๐ฐ๐ฎ๐๐ฒ๐ฐ๐ต๐ฒ๐๐ฎ๐๐ถ๐ฒ ๐ญ๐ต๐ด๐ณ/๐ญ๐ต๐ด๐ด
De zaal is halfdonker, alleen voorin branden wat lampen. Ze geven de bruine vloerbedekking een warme gloed. Ik kijk naar dominee. Dat hij zo klein is en toch zo indrukwekkend. Zijn sonore stem vult de ruimte.
Ik luister maar mijn gedachten dwalen steeds af. Om me heen zitten de stelletjes. G. en R. ook, lekker dicht tegen ekaar aan. Ze willen belijdenis doen omdat ze gaan trouwen. Zonder belijdenis-doen mag je straks je kind niet dopen, dus kun je maar beter alvast belijdenis doen. Ik zit hier helemaal alleen. Geen vriend, geen trouwplannen en daarmee val ik zo op. Echt niet leuk.
Het zou makkelijk zijn om te wachten tot ik verkering krijg. Maar ik verlang er zo naar om net als Ruth te zeggen: “Uw God is mijn God. Uw volk mijn volk.” Daarom zit ik hier
Nee hรจ, ben ik alweer afgewaald. Was ik maar minder verlegen. Ik zou onze dominee dan na afloop een paar dingen willen vragen, maar ik bloos alleen al bij het idee. Ik wil niet dat hij denkt dat ik zo’n dominee-achternaloopster ben.
Hij zegt vaak, als hij over de beginnelingen in de genade heeft: “pratende kinderen worden niet geboren. Ze gaan zwijgend over de aarde, in hun gemis.” Daarom zeg ik maar niks.
Ik staar naar het boekje in mijn hand. Mag ik belijdenis doen of niet. Ik weet niet zeker of mijn zonden vergeven zijn. Daar pieker ik over.
Maar ik las dat de Heere zegt: “Wie is er onder ulieden, die de HEERE vreest, die naar de stem Zijn knechts hoort? Als hij in duisternissen wandelt en geen licht heeft, dat hij betrouwe op de naam des HEEREN en steune op Zijn God.” (Jesaja 50:10)
Dat doe ik dan maar. Ik kan niet anders en ik wil niet anders.
Ik luister maar mijn gedachten dwalen steeds af. Om me heen zitten de stelletjes. G. en R. ook, lekker dicht tegen ekaar aan. Ze willen belijdenis doen omdat ze gaan trouwen. Zonder belijdenis-doen mag je straks je kind niet dopen, dus kun je maar beter alvast belijdenis doen. Ik zit hier helemaal alleen. Geen vriend, geen trouwplannen en daarmee val ik zo op. Echt niet leuk.
Het zou makkelijk zijn om te wachten tot ik verkering krijg. Maar ik verlang er zo naar om net als Ruth te zeggen: “Uw God is mijn God. Uw volk mijn volk.” Daarom zit ik hier
Nee hรจ, ben ik alweer afgewaald. Was ik maar minder verlegen. Ik zou onze dominee dan na afloop een paar dingen willen vragen, maar ik bloos alleen al bij het idee. Ik wil niet dat hij denkt dat ik zo’n dominee-achternaloopster ben.
Hij zegt vaak, als hij over de beginnelingen in de genade heeft: “pratende kinderen worden niet geboren. Ze gaan zwijgend over de aarde, in hun gemis.” Daarom zeg ik maar niks.
Ik staar naar het boekje in mijn hand. Mag ik belijdenis doen of niet. Ik weet niet zeker of mijn zonden vergeven zijn. Daar pieker ik over.
Maar ik las dat de Heere zegt: “Wie is er onder ulieden, die de HEERE vreest, die naar de stem Zijn knechts hoort? Als hij in duisternissen wandelt en geen licht heeft, dat hij betrouwe op de naam des HEEREN en steune op Zijn God.” (Jesaja 50:10)
Dat doe ik dan maar. Ik kan niet anders en ik wil niet anders.
.jpeg)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten