Ik oefende mijn les op het orgel toen de bel ging. Mama legde haar breiwerk neer en zei verbaasd: “Vrouw Vlastuin.” Ze liep naar de gang om de voordeur open te doen en toen hoorde ik vrouw Vlastuin met een huilende stem zeggen: “Evelien S. is onder een auto gekomen, ze was op slag dood.”
Néé! Vrouw Vlastuin had het vast niet goed gehoord. Maar het was wel zo. Mijn vriendinnetje was verongelukt.
Die avond kwam mama op het randje van mijn bed zitten. Dat vond ik fijn. Ze zei dat papa ging condoleren met de andere meesters en juffen en dat ik niet mee hoefde. Ze bleef nog eventjes bij me zitten.
Toen ze weg was, kon ik niet slapen. Ik moest steeds aan dat ene stukje denken, in mijn dagboek. Over dat Evelien gelogen had en iets naars over papa zei. Daardoor waren we minder goede vriendinnen geworden, omdat ik daar boos over was. Dat wist zij niet, maar ik wel, want ik ging gewoon met iemand anders spelen.
Ik pakte mijn dagboek en schreef: “Nu heb ik spijt van wat ik op de vijfde bladzij van mijn dagboek over Evelien gezegd heb.”
Ik had zo’n spijt, voelde me zo schuldig en hoopte dat Evelien in de hemel zou zijn. Ze was hervormd, maar ze had wel een bekeerde oma.
Misschien hielp dat.
.jpg)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten